Arbocatalogus Dierenartsenpraktijken Welkom op de arbocatalogus voor de dierenartspraktijk › Risico's deze arbocatalogus › Zwangerschap › Infectiegevaar - zoönosen

Infectiegevaar - zoönosen

Infectiegevaar - zoönosen

Risicobeschrijving:

Blootstelling aan biologische agentia (virussen, schimmels, bacteriën en gisten) kan voor zwangere vrouwen een extra risico vormen, omdat het afweersysteem tijdens de zwangerschap op een wat lager niveau werkt dan normaal. Daardoor bestaat er een grotere kans op een infectie. Blootstelling kan plaatsvinden door het gericht werken met biologische agentia, maar ook door contact met zieke of dode dieren of excreta van zieke dieren. Blootstelling kan leiden tot infecties, allergische reacties of toxische effecten. Bepaalde agentia kunnen leiden tot abortus, vroeg- of doodgeboorte en aangeboren afwijkingen.

Een speciale groep binnen de biologische agentia zijn de zoönosen. Zoönosen zijn ziekten die kunnen overgaan van dier op mens. Deze aandoeningen, die gepaard gaan met hoge koorts, leveren een zeker risico voor de vrucht.

Zoönosen die ook de foetus en/of de placenta kunnen infecteren zijn:

Chlamydophilia psittacii – Psittacose of chlamydiose
Blootstellingsweg: contact, aerosol
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: papegaaien, vogels, gevogelte.
Prevalentie in Nederland is laag.
Chlamydophila abortus - Chlamydiose (zoogdier)
Blootstellingsweg: contact, aerosol
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: vooral schapen, geiten; ook runderen, katten.
Prevalentie onbekend
• Listeria monocytogenes - Listeriose
Blootstellingsweg: contact
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: runderen, schapen, geiten, varkens, katten, honden, vogels.
Zwangeren zijn gevoeliger voor infecties; infectiegevaar met name bij partushulp bij runderen.
• Leptospiro hardjo - Leptospirose
Blootstellingsweg: contact, aerosol
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: knaagdieren, varkens, runderen, schapen, geiten, paarden, honden.
Hygiënische maatregelen in acht nemen. Het risico is beperkt, omdat de prevalentie in Nederland laag is. In andere landen is deze hoger. De consequenties zijn wel groot.
• Campylobacter (jejuni en fetus) - Campylobacteriose
Blootstellingsweg: contact
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: runderen, schapen, geiten, honden, katten, vogels, hamsters.
De meeste infecties met C. jejuni zijn voedselinfecties. Er is een klein risico via contact met feces, dat met hygiënische maatregelen goed te voorkomen is.
• Brucella abortus - Brucellose
Blootstellingsweg: contact, aerosol
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: geiten, runderen, varkens, honden, paarden.
Preventie door middel van hygiënische maatregelen. Het risico is beperkt, omdat de prevalentie in Nederland laag is. In andere landen is deze hoger. De consequenties zijn wel groot.
• Mycobacterium bovis – Mycobacteriele infectie
Blootstellingsweg: contact, aerosol
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: aquariumvissen, reptielen, vogels.
Theoretisch risico, alleen via exotische dieren.
• Toxoplasma gondii - Toxoplasmose
Blootstellingsweg: contact
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: katten.
Besmetting via gesporuleerde oocysten, ongewassen rauwe groenten, rauw vlees, via feces van de kat (tuin, kattenbak). Indien de kattenbak binnen 48 uur wordt verschoond, vormt dit geen risico.
Geen beroepsrisico, maar wel een algemeen voorkomende infectieziekte. Na een doorgemaakte infectie bouwt men immuniteit op; dit is in het bloed na te gaan. Arbobesluit 4.109 verbiedt de zwangere werkneemster werkzaamheden uit te voeren waarbij blootstelling aan Toxoplasmose kan plaatsvinden, tenzij immuniteit is gebleken.
• Coxiella burnetti – Q koorts
Blootstellingsweg: contact, aerosol, vector
Belangrijkste diersoorten die zorgen voor overdracht: geiten, schapen, runderen, knaagdieren, honden, katten.
Dieren die geïnfecteerd zijn, hebben in het algemeen geen symptomen, behalve dat de infectie vaker een abortus veroorzaakt. Tijdens een abortus of partus bij een besmet dier worden grote hoeveelheden bacteriën uitgescheiden via de placenta en het vruchtwater. Uitscheiding kan echter ook via urine en faeces van geïnfecteerde dieren, maar de hoeveelheid uitgescheiden bacteriën is dan veel lager.
Een infectie met Coxiella burnetii geeft bij zwangere vrouwen een verhoogd risico op een spontane abortus, miskraam, vroeggeboorte of een kind met een laag geboortegewicht. Daarnaast hebben zwangere vrouwen een hoger risico op een chronische infectie.

Preventieve maatregelen:

Algemene risicobeperkingen zoönosen door middel van:

1. Als er op een bedrijf een zoönose met een risico voor de zwangere medewerkster is vastgesteld, dan wel een gegronde verdenking ervan is, zal de zwangere dierenarts dit bedrijf niet hoeven te bezoeken.

2. Extra voorzichtig zijn bij verlossingen.

  • In principe verlossingen van schapen en geiten niet uitvoeren. Werkgever en werknemer overleggen hoe dit kan worden vermeden.
  • Vermijden van verlossingen van runderen; niet uitvoeren van verlossingen van een ‘niet-fris’ kalf, zoals bijvoorbeeld een kalf dat al enkele dagen dood is.
  • Het al dan niet kunnen blijven uitvoeren van bereikbaarheidsdiensten is voor dierenartsen uit een landbouwhuisdierenpraktijk een belangrijk aandachtspunt. Daarom kan het verstandig zijn te werken met een achterwacht die zo nodig de risicovolle taken kan overnemen.

3. Hygiënisch werken. Voorkom direct huidcontact met een geaborteerde vrucht, vruchtwater en het aborterende dier:

  • Rubberen of veiligheidshandschoenen en monddoekje gebruiken.
  • Beschermende kleding dragen (verlosschort of -pak).
  • Oppassen met abortusmateriaal; zorgvuldig in acht nemen van hygiënemaatregelen en bijbehorende reiniging en desinfectie nadien.
  • Contact met excreta van aborterende dieren vermijden.
  • Boorzalf gebruiken. Armen insmeren met boorzalf lijkt goed te beschermen. Ondanks het gebruik van boorzalf blijft het risico op infecties bestaan.

4. Opstellen van een infectiepreventieprotocol.
Zie hiervoor bijlage 4 van het Diergeneeskundig memorandum www.knmvd.nl/hygiene-en-biosecurity-in-dierenartsenpraktijken/


Meer informatie:

Risico: biologische agentia, infectie, zoönosen, bacteriën, virussen, parasieten, schimmels
Functiegroep: eigenaar dierenartspraktijk, dierenartsen, dierenartsassistenten, ondersteunend personeel
Handeling: alle handelingen
 

Afgedrukt op 15-9-2026 · Oplossing · Zwangerschap

Terug naar de pagina