Naar de inhoud
KNMvD

Arbocatalogus Dierenartsenpraktijken

Ioniserende straling – röntgen

Ioniserende straling – röntgen

Risicobeschrijving:

Het ongeboren kind is zeer gevoelig voor ioniserende straling, waaronder röntgenstraling. Cellen zijn het gevoeligst voor straling als ze bezig zijn zich te delen. En juist in de foetus vinden veel celdelingen plaats. Bij blootstelling aan ioniserende straling rond de eerste drie weken van de zwangerschap sterft de vrucht af voordat de zwangerschap is vastgesteld óf het mondt uit in een geboorte zonder afwijkingen. In de periode daarna tot ongeveer acht weken bestaat een kleine kans op gestoorde orgaanontwikkeling. Daarna, van 8 tot 25 weken, worden de grote hersenen ontwikkeld. De meest risicovolle periode is de periode tussen de achtste en vijftiende week. Dan kan blootstelling aan ioniserende straling leiden tot afwijkingen in aanleg van de hersenen.
Nog later in de zwangerschap kan blootstelling aan straling groeiachterstand veroorzaken.

Vanuit de wet (besluit Stralingsbescherming) is voorgeschreven dat de dosis ioniserende straling voor het ongeboren kind ten gevolge van het werk door de moeder zo laag moet zijn als redelijkerwijs mogelijk is. Aanvullend wordt gesteld dat gedurende de zwangerschap de dosis voor het ongeboren kind niet hoger mag zijn dan 1 milliSievert (mSv). Het is daarom heel belangrijk de zwangerschap zo vroeg mogelijk te melden, zodat eventueel aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om de blootstelling te beperken.

In de praktijk verschilt de blootstelling aan ioniserende straling per dierenartspraktijk. In principe is de blootstelling aan röntgenstraling voor alle werknemers zo laag mogelijk (Alara principe) en zouden de reguliere beheersmaatregelen zoals die staan vermeld in het KNMvD dossier Röntgen, afdoende moeten zijn om ook het ongeboren kind te beschermen.

Het stralingsrisico voor de werkneemster zelf is in de zwangerschap of in de periode van borstvoeding niet groter dan voor elke andere volwassen vrouw.
 

Preventie maatregelen:

  • Bespreek met de werkgever hoe de blootstelling aan röntgen kan worden geminimaliseerd, waarbij rekening moet worden gehouden met de blootstelling van de andere medewerkers en de voortgang van de praktijk tijdens de diensten. Daarnaast kunnen afspraken worden gemaakt  over het tussentijds uitlezen van de persoonlijke dosismeters.
  • Gedurende de periode van kinderwens hoeven geen specifieke extra maatregelen worden genomen. In de praktijk is de periode van kinderwens en zwangerschap niet altijd goed van elkaar te scheiden. Dat betekent dat de werkneemster mogelijk extra stress ondervindt, omdat zij bang is voor schade aan het ongeboren kind. Gebleken is dat deze angst bij een goede stralingshygiëne niet nodig is.
Gedurende de zwangerschap:
  • Evalueer de persoonsdosimetrieresultaten van de praktijk van de afgelopen jaren om een schatting te maken van de totale effectieve dosis van het ongeboren kind.
  • Gebruik een persoonlijke dosismeter en stuur deze met voldoende korte intervallen op. Zo kan de blootstelling (dosis) worden gecontroleerd.
  • De nieuwe dosismeter wordt vanaf de melding van de zwangerschap op buikhoogte gedragen. Tijdens het dragen van een loodschort moet de dosismeter worden gedragen aan de binnenzijde van het loodschort.
  • Maak eventueel gebruik van een tweede dosismeter: één op borsthoogte buiten het loodschort en één op buikhoogte onder het loodschort.
  • Indien de stralingsbelasting blijkens de dosimetrie gedurende de zwangerschap hoger is dan de de dosis van 0,5 mSv (helft van de nog toegestane belasting), mag de zwangere werkneemster vragen om vrijstelling van röntgenwerkzaamheden. Dit geldt ook voor een werkneemster met een kinderwens van wie de stralingsbelasting de voorgaande jaren meer dan 1 mSv bedroeg.
  • Verdoof het het dier, waardoor het niet nodig is tijdens het maken van de foto bij het dier (en bij het röntgentoestel) te blijven staan. Let hierbij op de stabiliteit van het dier; de verdoving mag dit niet negatief beïnvloeden.
  • Bedien het röntgentoestel van achter een beschermd bedieningspaneel.
  • Verricht omloopwerkzaamheden met een loodschort, loodhandschoenen en loodkraag.
  • Tips bij gebruik van mobiele röntgenapparatuur:
    • draag beschermende kleding, net als in de röntgenkamer
    • blijf uit de stralingsbundel
    • beperk de dosis waarmee wordt gewerkt
    • laat de dosismeter frequent uitlezen
    • Er zijn verschillende hulpmiddelen voor het werken met röntgen
  1. Opmerking 1: De verstrooide straling levert de grootste bijdrage aan de stralingsbelasting voor de werknemer.
  2. Opmerking 2: In een paardenpraktijk waar ook horizontale opnamen worden gemaakt (kniefoto's) is extra aandacht nodig voor de richting van de stralingsbundel.
Gedurende de periode van borstvoeding:
Vrijstellen van werkzaamheden met risico op (inwendige) radioactieve besmetting van het lichaam, zoals bijvoorbeeld het werken met radioactieve diagnostiek (Technetium) en de behandeling van hyperthyreoïdie bij katten met radioactief jodium.
 
Meer informatie:

Risico: ioniserende straling, röntgenstraling
Functiegroep: eigenaar dierenartspraktijk, dierenartsen, dierenartsassistenten, ondersteunend personeel
Handeling: röntgenfoto’s maken, werken met radioactieve diergeneesmiddelen